De Rode Duivels gekte.

                                          

Ik ben geen rasechte voetballiefhebber, maar ik geef het grif toe dat de resultaten van het nationale elftal me niet onberoerd laten. Eigenlijk was ik vroeger een beetje verplicht het balspel in België op de voet te volgen. Al mijn werkcollega’s waren nu eenmaal bezeten van de voetbalmicrobe, zodat elke vrije minuut werd benut om erover te praten. Wie niet mee kon praten kon zich alleen in een hoekje in stilte bezighouden met het lezen va een stripverhaal of andere lectuur. Daar kwam nog bij dat ik werkzaam was in het modernste krantenbedrijf van ons land.

Dagelijks rolden honderdduizenden papieren exemplaren van de band:

Het Belang van Limburg, Gazet van Antwerpen, De Financieel Economische Tijd, L’echo en ga zo maar door. Het zal jullie nu wel duidelijk geworden zijn dat ik elke letter over voetbal trachtte te lezen en dat ik eke samenvatting van een wedstrijd  bekeek op tv, en mijn lieftallige ogen en grote oren open hield.

Als ik dan samen met de collega’s een rustpauze nam, gooide ik meestal een visje uit en dadelijk begon de discussie tussen de specialisten natuurlijk. Je kon het eigenlijk nog beter stellen dat ik ‘Steukers’ heette op zo’n momenten. Als iedereen dan in discussie ging, kon ik op mijn gemak de interessante bladzijden van de kranten doornemen.

Het wereldkampioenschap voetbal 2002 in Japan/Korea maakte dit alles nog een beetje moeilijker met de ellendige uitzenduren. Wij volgden de wedstrijd:  België – Rusland op de radio en via internet. Toen de uitlag 3- 2 in het voordeel van België werd beslist, kregen mijn collega Raul en ik het idee om de Belgische vlag uit te hangen, gewoon uit zotheid. We vroegen het aan onze ploegoverste en hij floot gelukkig geen strafschop, het mocht.

Onze vlaggenmasten bevonden zich vooraan het gebouw evenwijdig met een hele drukke autoweg. Er stonden vijf masten waar vijf vlaggen wapperden in de gezonde Limburgse windvlaagjes. De vlaggen waren zo’n zes meter lang. Eén vlag haden we laten zakken om te ruilen tegen onze nationale driekleur. Wat bleek, dat het ophangingsysteem heel anders was. « Dat lossen we op in een oogwenk », zei mijn collega Raul : »Ik haal een paar trekbandjes ». Zo gezegd, zo gedaan. Ondertussen stond ik daar wel met de zes meterlange driekleur over mijn schouders, langs die drukke autobaan. Iedereen die voorbijreed toeterde en stak zijn duim in de lucht. Ook de klanten en bezoekers van ons bedrijf staken de duim in de lucht vanaf de parking. Met die vlag op mijn schouder voelde ik me net het « Vrijheidsbeeld » van de Verenigde Staten van America. Dus begon ik ook maar terug te wuiven. Na een vijftal minuten kwam een lachende Raul terug met het nodige materiaal om de vlag te bevestigen. Toen we de vlag hesen wou ik nog ons nationaal volkslied zingen, maar dat heb ik om veiligheids- redenen toch maar niet gedaan.

Toen we naar binnen gingen keken we nog eens met trots terug naar de nationale driekleur. ‘Ik’ was toch ook heel even beroemd geweest, en het mooiste van alles was, dat ik niet eens een bal had aangeraakt.

Vier dagen later hadden de rode duivels de wedstrijd verloren tegen Brazilië. Onze Belgische vlag hing er nog steeds. Langs de ene kant was het maar goed dat we geen Braziliaanse vlag hadden, want dan moesten we misschien

veiligheidsagenten  inhuren om de rondborstige Braziliaanse danseressen van ons lijf te houden.

Een mens mag toch ook eens een stukje dagdromen zeker ?

Het eerste ticket naar de vrijheid is een feit.

Op een druilige maandagmorgen had ik een afspraak voor mijn eerste prik tegen Covid 19. Om 09:00 uur bracht mijn persoonlijke verpleegster en lieftallig vrouwtje mij naar de Ethias Arena waar ik tussen 9:34 en 9:36 zou gevaccineerd worden.

De route naar de ingang was goed bewegwijzerd vanaf de parking en verder werden wij aangemoedigd door tientallen vrijwilligers, die je vriendelijk aanspraken en je regelrecht naar de juiste balie begeleidden.

Na het ontsmetten van de handen schoof ik verder naar de volgende vrijwilliger die mij vroeg of hij mijn temperatuur mocht nemen met een lazergericht pistool. “Mag ik?”, vroeg hij. “En als ik neen zeg”, vroeg ik hem. “Daar heb ik nog niet aan gedacht lachte hij. “Doe het dan maar” zei ik en ik schoof verder op de stip naar het eerste loket.

Aan dit loket werd mijn vaccinatiekaartje met de hand geschreven in schoonschrift. De man voegde nog een paar worden bij de daad en lachte vriendelijk: “Uw papieren heb je niet meer nodig.” De volgende man keek even de zaal binnen en zei: “Ga maar met uw paspoort en vaccinatiekaart naar rij zeven.” Ik was dankbaar en zei, “Dit is mijn geluksnummer” en hopelijk bleef dat zo.

Na een vijftal personen voor mij te laten voorgaan kwam ik tot bij het infoloket waar de kaart werd klaargemaakt en verzegeld met een klevertje. De vrouw was verbaasd toen ze mijn naam op mijn paspoort zag. “Mijn man heet ook Reyskens Wilfried, maar is een jaar jonger”. Ik wou nog vragen of hij knapper was dan ik, maar er moest vaart inzitten en ik schoof verder naar de prikker. Nog even vermelde dat ik licht astmatisch was en bloedverdunners nam. ‘Liefst een half uur wachten voor u vertrekt’, zei mijn tweede vrouw nog.

Tussendoor zag ik nog vele bekenden die als vrijwilliger de mensen in het oog hielden en hielpen, waar het nodig was.

Terwijl ik doorschoof, werd ik begroet door Ronald, een schoolmakker en oude bekende, kreeg ik alweer de uitleg In het vaccinatiehokje. “ Doe uw jas maar uit, stroop uw mouw op en ga rustig zitten.

Ik ging snel zitten en daar verscheen de prikker, die al dadelijk begon te lachen: “ Wim sè, van de………van de……..””De Banneuxkes” antwoordde ik en er was weer een ton ijs gebroken. Al lachend en tijdens een kort gesprek over onze toneelgroep, boorde hij de naald in mijn rechterarm en kleefde na de daad een plakkertje op, tegen een mogelijke bloeding. Er was niet veel tijd en dus namen wij al lachend afscheid: “ Tot op één van de mogelijke volgende voorstellingen”, riep ik nog.

Ik nam plaats in de grote wachtzaal waar ergens in de verte muziek klonk.

Daar moest je 15 minuten wachten op je vrijheid en je kon de tijd zien aftellen op een groot scherm met digitale klok. Ook daar verscheen weer een bekende, Danny. We hadden verleden zaterdag nog geklonken op de heropening van het coronaveilige terras in ons Stamineeke.

Toen mijn tijd erop zat vroeg  ik aan  Danny: ”Wat moeten wij weer vertellen tegen ons vrouwen? Hoeveel dagen mochten wij van de dokters niks meer doen in het huishouden?” De ijzige stilte werd doorbroken met gelach en een dame die er ook zat zei: “Profiteur”. “We kunnen het toch proberen” zei ik nog en ik zocht mijn weg naar de uitgang, terwijl iedereen mij lachend bekeek.

Een man aan de uitgang vroeg of het was meegevallen. Ik antwoorde:” Mijn eerste ticket naar vrijheid heb ik al. Eind juli kom ik terug voor een tweede exemplaar.”

Ik liep naar buiten naar de parking waar mijn vrouwtje mij opwachtte.

Toen ik instapte viel er een grote last van mijn schouders, was dit echt de eerste stap naar ons leven van weleer. Ik zou het er in ieder geval verder op wagen.

Elke dag een goede daad.

Vandaag werd ik tijdens mijn ochtendwandeling aangesproken door mensen die blijkbaar niet van onze wijk waren. Ze vroegen de kortste weg naar het centrum en ineens borrelde bij mij de gedachte op, om vandaag nog eens een goede daad te doen. Waarschijnlijk waren zij op de hoogte van de verhoogde parkeertarieven in en rond de stad. Misschien hadden ze hun auto achtergelaten op de parking van één van de grote voedingswinkels. Maar dat waren mijn zaken niet. Dus wees ik met een grote glimlach op mijn gezicht het wakkere koppel regelrecht naar het centrum, de Hoofdstad van Limburg, de stad die “het” heeft. En jawel hoor, de magie werkte nog, dat deed goed aan de  borstholte waar mijn hart bonkte.

Als wij vroeger tijdens onze jeugdjaren elke dag een goede daad deden, voelden wij ons ook goed. Maar van waar kwam dat gebruik?

Wie ooit in een ver verleden, toen de dieren nog spraken, bij de scouts of Chiro is geweest, zal zich nog wel herinneren dat alles in het teken stond van de katholieke kerk en goede daden. En toch hingen de scouts en de Chiro altijd in de clinch. Dat werd ons met de paplepel van de leiding meegegeven dat wij ons niet moesten vergelijken met de Chiro.

Historisch gezien waren de scouts er eerder dan de Chiro en er was nogal wat trammelant toen de parochies tijdens de wereldoorlogen met “Chiro” wilden beginnen. Na lange onderhandelingen waren de Scouts bereid om zich daar bij neer te leggen op voorwaarde dat de nieuwe jeugdbeweging voldoende ver van hun territorium bleven. Wat ook betekende, niet in tenten op kamp gaan, maar in gebouwen. Niet van dat padvinderij gedoe, zoals sjorren en koken op open vuurtjes. De Chiro was bovendien niet hiërarchisch als de Scouts.  

Nu zal je dan ook wel tot de conclusie gekomen zijn dat ik bij de Scouts was ingeschreven, van welp, over jongverkenner naar verkenner en zo verder naar mijn eerste lief.

Het gevolg was, dat de jeugdbeweging en goede vrienden, op een geven rijp moment, moesten plaats maken voor de eerste platonische liefde die begon te ontluiken.

Waar ik zo niet van hield was het bedelen om geld. In onze parochie, Het Heilig Kruis, hadden wij een houten noodkerkje en om die te vervangen hebben wij tonnen gebakken wafels moeten verkopen. Alles voor het goede doel, natuurlijk, maar het was soms te veel van het goede.

Daarna moesten wij van deur tot deur gaan om programmaboekjes voor de Virga Jessefeesten te verkopen. Gelukkig vonden die pas om de zeven jaar plaats. Iedere zondagmorgen gingen wij naar de mis in groep en eigenlijk voelde dat goed. Je was een ander mens als je na een uur preek naar buiten kwam, gezegend voor een hele week.

Wij legden fier en trouw de padvindersbelofte af:

“Ik beloof mijn best te zullen doen: Mijn plicht te doen tegenover God en mijn land, De wet van de welpenorde te gehoorzamen en iedere dag een goede daad te doen”.

Wij kenden deze beloften vanbuiten en daar kunnen onze politiekers nog iets van leren.

Wij keken er naar uit, elk weekend om buiten te ravotten, avondspel, het kamp en de vele trektochten. Daar werden wij echte mannen van, Fortnite videogames en gsm’s bestonden nog niet……..

Zo vele jaren later is iedereen verhuisd, getrouwd met huisje, boompje en kinderen. Sporadisch zie je dan nog wel iemand van vroeger opduiken en een snel gesprekje brengt je terug naar het mooie verleden, de tijd dat er nog niks mis was met ons klimaat.

Ik wandelde tevreden en “happy” naar huis, want ik had mijn eerste goede daad verricht en dat moest genoteerd worden in mijn dagboek.

Ik neuriede de hele weg:

“Akela wij doen ons best.

Djib djip djip djip

Wij dob dob dob dob,

Zitbanken zijn er om…..op te zitten.

Het was mij al eerder opgevallen dat één van de zitbanken die rond het pleintje geplaatst waren paraplu stond. Er had met 100% zekerheid een auto tegen gereden waardoor de hele constructie in de lengte 15% scheef stond.

Na het toiletbezoek van mijn tevreden hond liepen wij nog een rondje door en rond het pleintje. Het heerlijke geluid van tsjilpende vogels en kirrende duiven werd plots even onderbroken door een zware doffe slag. Ik keek naar de hemel maar bespeurde geen wolkje, dus een donderslag bij heldere hemel konden wij al schrappen op ons onderzoeklijstje. Ik zag mensen die zich op het pleintje bevonden, tot stilstand komen en ze keken allemaal in een bepaalde richting. Het leek net een scène uit de serie: “The Walking dead.” Maar ik had geen tijd om te rillen of kippenvel te krijgen. Er kwam een verpleger uit zijn voertuig gekropen en riep naar mij: “Heb je dat gezien, heb je dat gezien?”. Terwijl ik met hem mee wandelde antwoorde ik: ”Om eerlijk te zijn, ik heb niets gezien, maar wel gehoord,”

Ondertussen had een grote witte SUV wagen zich verplaatst en maakte een vluchtende beweging. De verpleger deed de chauffeur stoppen en vroeg of alles ok. was. Toen pas zag ik dat er weer een zitbank was aangereden. Ze stond met ingemetselde klinkers tien centimeter hoger.

De chauffeur, een vrouw van Afrikaanse origine stapte uit en ging de schade aan haar auto bekijken. Ze sprak gebroken Nederlands en voelde de hele tijd met haar hand in de hartstreek. Ze leek volledig van de kaart te zijn en wist precies niet wat er was gebeurd.

De verpleger maande haar aan om contact op te nemen met de stad Hasselt, om de bank terug te laten plaatsen. Volgens mij was de vrouw in shock en wij vroegen haar de auto te laten staan en iemand te bellen. Ze probeerde, in paniek, zelf de bank terug in haar originele toestand te plaatsen, maar dat lukte niet. De verpleger sprak met haar tot ze rustiger werd. weer een applausje voor de zorgsector, want zij staan altijd paraat om iedereen in nood te helpen.

Mijn hond begon hevig te blaffen door de drukke bewegingen en dus wandelde ik rustig verder.

Het bleef voor mij een onbeantwoorde vraag, hoe ze tegen die bank had kunnen rijden. Wellicht had ze van de parkeerplaats willen afrijden en haar voertuig volledig willen keren met de zon als tegenlicht en had ze zo de bank willen meeslepen. Het kon ook zijn dat ze onder de medicatie zat en verdwaasd in haar auto was gestapt, maar wie ben ik om daarover te oordelen.

Mijn hond en ik verlieten het pleintje, terwijl alle hoofden van de passanten nog steeds in de richting van de gevarenzone keken en vanop een veilige afstand hun relaas van het verhaal bespraken. Toen ik de hoek omdraaide zag ik de vrouw nog steeds bellen met haar gsm., eenzaam en alleen aan haar auto. Om tot rust te komen was ze misschien beter op een bank gaan zitten. De laatste mogelijkheid kon zijn dat de zitbank van rechts kwam en de auto had geraakt.

De stad zou toch eens nieuwe verkeersborden moeten plaatsen rond het pleintje met volgende opschriften:

“Banken zijn geen richtpunten voor de automobilisten, ze dienen enkel om te gaan zitten en even een rustgevend en zittend gevoel te geven aan de menselijke gebruikers. Onder zitten wordt verstaan, met het zitvlak op de bank en niet met de voeten”

Gelukkig neem ik altijd plaats op de beschermde zitbanken ver van de rijweg of op de omheinde hondenweide, als ze niet bescheten zijn door de duiven tenminste.

De verschrikkelijke sneeuwman bestaat.

Er werd voor vandaag 17°c voorspeld in de schaduw, dus moest je er vroeg bij zijn om van de hele dag te kunnen genieten. Mijn wandeling begon al met een mooi liefdevol moment op het grasperk op de hoek van de straat. Een in een eerder verhaal beschreven ‘eendenkoppel’ had zich daar genesteld op zo’n twee meter van de straat achter een lage balustrade van een parking. Ik denk dat ze de voortplanting gingen bespreken, dus maakte ik mij snel uit de voeten. Je voelde dat het vandaag weer een zeldzame warme dag van april ging worden.

Ik genoot op de bank van de hondenweide van de zon en van alle gebeurtenissen op en rond het pleintje.

Plots zag ik een eigenaardig personage langzaam achter de geparkeerde auto’s verschijnen, bijna onbeweeglijk en stijf als een plank. Toen het lijdend voorwerp de straat overstak kreeg ik er een volledig beeld van.

Het eerste wat mij opviel was de driekwart short die afstak tegen de witte benen en de dikke winterjas die het personage droeg. Het droeg half hoge zwarte leger bottines waaruit fel gekleurde kousen tot aan de kuiten reikten. De verschijning sleepte een grote zware kaki rugzak mee. Rond het hoofd was een grote donkere bandana gewikkeld en een donker mondmasker sloot deze vluchtige beschrijving af.

Ik liet mijn verbeelding op volle toeren draaien en het eerste wat in mijn gedachten op kwam was: “De verschrikkelijke sneeuwman”.

Wat weten wij van de verschrikkelijke sneeuwman? Er zijn veel boeken over geschreven, verhalen verteld en films gedraaid, maar heeft iemand hem ooit gezien en hoe zag hij eruit?

De Yeti, migyur, yeren of verschrikkelijke sneeuwman, worden als volgt beschreven in Wikipedia: een vermeende reusachtige primaat in de Himalaya, in uiterlijk verwant aan de hypothetische “Bigfoot” uit Amerika, wordt door de wetenschap nog steeds als een ‘mythe’ beschouwd. Dit is echter niet het geval onder de lokale bevolking, die ervan overtuigd is dat hij bestaat. De Yeti is een typisch onderzoeksobject in vele onderzoekexpedities en documentaires. Er zou wel degelijk iets rondlopen maar de wetenschap heeft dat nog niet kunnen bewijzen. Dus leeft de Yeti verder in verhalen en verschrikkelijke dromen.

Ondertussen kwam mijn Yeti terug uit de winkel en nu pas zag ik zijn grote voeten. Met die overzetboten kon je niet alleen oceanen oversteken, maar ook in diepe besneeuwde gebieden ronddolen zonder er in weg te zakken

Hij was misschien om een blik antivries geweest in de winkel.

Even later verdween hij weer achter de geparkeerde wagens en viel mijn oog op een ander verschijnsel.

Een jonge blonde verschijning liep in een zomers topje en een heel kort gekleed zomershortje, waaruit haar prachtige lange benen bewogen, met een doos naar dezelfde winkel. Deze verschijning was nu juist het tegenovergestelde van wat ik eerder had gezien in de Yeti.

Het was misschien wel de vriendin van de Yeti, maar eigenlijk was ze daar te mooi voor. Lag het aan de zon of was ik nu aan het dagdromen? Ik wachtte tot de vrouwelijke zomerverschijning, met die lange benen, terugkwam uit de winkel.

Met verbaasde ogen achter mijn donkere bril volgde ik haar incognito tot aan de auto, die op de parking geparkeerd stond.

Er hing vandaag lente in de lucht en sommige mensen wisten niet goed hoe ze zich daarbij moesten kleden.

Van één zaak was ik zeker, ik liep terug naar huis in mijn winterjas, verkleurde brilglazen en trainingsbroek en sportschoeisel.

Deze dag zou onvergetelijk in een verhaal gegoten worden, de eenden gingen paren, ik had de Yeti gezien en een zomerse miss.

De zomer kan niet meer veraf zijn.

Runkst, is de nieuwe groene long van Hasselt.

De laatste maanden is het mij echt opgevallen dat er veel vogelsoorten in grote getallen rondvliegen in onze wijk. Buiten de stadsmussen, merels, zwaluwen, pimpelmeesjes, koolmeesjes, roodborstjes, winterkoninkjes, spreeuwen, lijsters Turkse duiven, kraaien, hier en daar een kauw en eksters, zijn er soms zelfs eenden waar te nemen. Je zult wel denken dat ik ze zie vliegen, dat is ook af en toe zo, maar er zijn eenvoudige manieren om de waarnemingen van de vogels te noteren. Auto’s, banken, wandelwegen en soms hangen mensen in de parken vol met vogelpoep.

Er is dus duidelijk leven in de brouwerij en ’s morgens kan ik vanop mijn terras of op wandelingen, genieten van al die vogelgeluiden.

Op mijn wandelweg ligt een grote weide die gelukkig nog niet is volgebouwd met betonnen woonblokken, maar dienst doet als parkeerplaats. Als het een tijdje heeft geregend strijken daar op de grote tijdelijk gevormde modderplassen ook eenden neer. Omwonenden strooien dan broodafval of maiskorrels voor de eenden, waardoor ook andere grote groepen vogelsoorten regelmatig het grasveld te spotten zijn.

Deze morgen vertrok ik heel vroeg met mijn hond op wandel omdat ik door het zonnetje naar buiten werd gelokt.

Ik was nog maar net de hoek omgewandeld, toen ik in de straat al getuige mocht zijn van een mooi tafereel.

In het midden van de straat liepen drie eenden die op het eerste zicht de straat overstaken. Plots bleven ze mooi op een rijtje staan in het midden van de straat. Een jonge vrouw probeerde hun paniekerig terug naar de veilige weide te lokken met wat broodkruimels die ze uit een broodzak haalde en op de grond strooide. Blijkbaar hadden de rustige eenden geen honger want ze reageerden niet op de lokroep van “moeder kloek” (de jonge vrouw).

Zo te zien waren die eenden het noorden kwijt omdat het waterpeil van de kleine tijdelijke zwemvijver was gezakt door de opwarmende zonnestralen en staken daarom wellicht de straat over op zoek naar nieuwe waterpoelen. Hun onderliggende gps detecteerde voorlopig geen water en dus moesten ze op zoek naar nieuwe groene zones…..in de straat of wijk.

Het probleem waren de auto’s die uit beide richtingen van de straat tegen hoge snelheid kwamen afgescheurd. Er zat dus ook voor mij niets anders op dan even verkeersagent te spelen en de chauffeurs aan te manen om even hun snelheid te minderen of te stoppen tot “familie Duck” de straat was overgestoken. Maar de dieren bleken vooral geen haast te hebben en wij moesten ze toch van de straat af jagen om de ongeduldige chauffeurs hun weg te laten vervolgen. Uiteindelijk slaagden ‘moederkloek’  en “de woerd” (ik dus) erin om de eenden op een nabij gelegen oprit te jagen, waar ze rustig en gezellig bleven zitten. Het was precies of ze nog iemand zochten om een potje te kaarten.

Toen ik na mijn wandeling langs de weide passeerde waren de eenden nergens meer te bespeuren. Waarschijnlijk waren ze verder gevlogen naar andere waterhoudende gebieden.

De woerd waggelde met zijn hond tevreden naar huis en neuriede een kinderliedje:

“Alle eendjes zwemmen in het water,

Falderalderiere, falderalderare……..”

De  champetter maakte een perfecte buiklanding

We gaan meer dan tien jaar terug in de tijd. In het Openluchtmuseum moest ik de wetten van de burgemeester doen naleven. Dat jaar stond alles in het teken van het ”dier”. Wandelen met de geit, het varken en de koe waren geen uitzonderingen. Je moest er wel mee leren omgaan natuurlijk. Van beide kanten moest er iets groeien, tussen mens en dier. En soms liep dat wel eens uit de hand.

Iedere zondag werd er aan “koeschijten” gedaan, en de champetter van dienst organiseerde het hele gedoe, want dat was het, een heel gedoe. Voor de leken en “echte stadsmensen” onder u, zal ik een inspanning doen en een beetje uitleg geven. Een weide werd in vakjes verdeeld, de champetter verkocht één of meerdere vakjes aan de bezoeker op bepaalde uren na de Heilige mis. De koe werd op een vooraf gekozen tijdstip op de weide gezet. Vanaf dat moment was het afwachten en na enkele uren werd er verwacht dat de haar “meststoffen” op zo’n verkocht vakje deponeerde. De winnaar kreeg dan een lekkere prijs, verse groenten of fruit. Wij waren toen al bewust groene jongens en klimaatvriendelijk.

Op de laatste zondag van augustus, werd “Bertha” de koe door boer Roland en de champetter naar de “schijtweide” gebracht. Normaal droeg Bertha een halstertouw waarin dan een koord kon bevestigd worden van een paar meter lang, om haar te leiden. Omdat Bertha dit hoofdding nu niet droeg werd de koord dan maar rond de kop en hoorns bevestigd, waardoor ik maar een kleine meter had om Bertha in toom te houden. Boer Roland liep voorop met een emmer snoepjes, (een soort korrels waar koeien zot op zijn) wij volgden in snel tempo. Echt veilig voelde ik me niet ,zo dicht bij Bertha, denkende aan mijn tenen. Op een gegeven moment zwaaide Bertha hevig met haar kop naar links, en dacht ze even dat ze een stier was. Met haar hoorns tilde ze me op, waardoor ik in de gracht  gekatapulteerd  werd. Pastoor Tinus Moors en een hele groep volk hadden het zien gebeuren, vonden het niet nodig om de champetter uit de gracht te helpen. Ze hadden het te druk met lachen. Op eigen houtje ben ik dan uit de gracht gekropen en heb mijn relatie met Bertha verbroken. Een paar uren later ben ik in de weide gaan kijken of Bertha had gescheten. Ik riep haar naam, maar ze weigerde me te herkennen. Ze had het te druk met aan de andere kant van de afspanning de witte kool op te peuzelen. Voor ik definitief met haar brak, heb ik genoteerd waar ze had “gescheten” en heb zonder omkijken de weide verlaten.

“Farewell my summerlove”……neuriede ik. Hield Bertha nu niet van uniformen of was er een ander. Ik weet het niet, vrouwen kunnen heel wispelturig zijn.

Mijn dag werd pas echt goed toen ik ontdekte dat er een Hollander met het koeschijten gewonnen had. Een lekker alcoholisch drankje was niet ver meer en met de gebeurtenis van de dag werd door de collega’s acteurs nog hartelijk gelachen. Dat was heerlijke nostalgie, even terug te blikken op een fijne tijd.

Het regent, het regent, alles is nat.

Het regent, het regent, alles is nat.

Wat hebben wij deze week nogal een weertje gehad.

Het regent, het regent, wij kregen vier seizoenen op een week.

De weerkaarten worden gek, geen mens die het nog weet.

Het regent, het regent, ik heb het nog even voor u op ’n rijtje gezet.

Zomerse temperaturen, aprilse grillen en nu regen, het klink allemaal wat gek.

Het regent, het regent, de wereld kleurt nu grijs.

’t Is nog altijd beter dan sneeuw en ijs.

Het regent, het regent, de druppels vallen.

Ze vormen natte straten, weides, pleinen, ik moet er van plassen.

Het regent, het regent, dat worden weer huiselijke taken.

Ik haat het, maar je kan natuurlijk ook een mutsje haken.

Het regent, regent, maar wij blijven dromen.

Dat ooit de zonnige verlossing gaat komen.

Het regent, het regent, wij hebben er nu wel genoeg van gehad.

Als het nog lang duurt, groeien er pluimen uit mijn gat.

Het regent, het regent, ons poes ligt knus in de zetel.

Ze hoeft niet naar buiten en dat wekt wel enige wrevel.

Het regent, het regent, maar ik moet nu dringend naar buiten.

Want mijn hond zit vol, ik zie het aan haar trouwe ogen en je kan het af en toe ruiken.

“Het regent, het regent, het kan nu even niet”, probeerde ik nog,

Maar het was dringend en ze trok mij aan de leiband door het zilte vocht.

Het regent, het regent, je geraakt er wel aan gewend.

Ik dacht, verman u, je bent een echte vent.

Het regent, het regent, ik kijk naar mijn terras en droom

Och, als wij lang genoeg wachten, wordt het weer droog.

Geheimzinnige verschijningen op het pleintje.

De Paasperiode 2021 wil ik toch in schoonheid eindigen met een vrolijke noot en dat leverde veel stof tot denken op. Ook de aprilse grillen moesten wij erbij nemen en soms schudde Jezus ferme vlokken uit zijn kopkussen op weg naar de aarde.

Op Paasmaandag wandelde ik zoals altijd naar het pleintje. Het pleintje dat mij al decennia lang voorziet van verhalen, personages en allerhande scenario’s op mijn schrijversblog.

Nu was het kil en grijs en af en toe dwarrelden de sneeuwvlokjes naar beneden, wat eigenlijk meer deed denken aan een winterdag dan aan een lentemorgen. Mijn hond en ik hadden er zin in en wandelden nog een gebruikelijk toertje rond het pleintje. En toen viel mijn lodderig oog iets, wat mij de vorige jaren of maanden nooit was opgevallen. Ik stopte, mijn mond viel open en verwonderde mij over de eigenaardige zichtbare gebeurtenis. Er stonden op het grasperk twee grote cirkels met een diameter van meer dan twee meter doormeter en een paar meter van elkaar in het gras.

Het was de beplanting die de mooie ronde vorm gaf in het gras.

Nu kan je natuurlijk beginnen met het gissen, vanwaar die cirkels plots kwamen. Waren het dan toch de klokken van Rome die hier op het pleintje een tussenlanding hadden gemaakt of alle kinderen doopten in een berg van eieren. Natuurlijk had ik geen gsm meegebracht om het fenomeen op beeld vast te leggen en keerde huiswaarts met vele vragen.

Het werd er niet gemakkelijker op toen ik thuis ook nog chocolade en hard gekookte eieren vond. Van waar kwamen die plots? Waren mijn gebeden verhoord?

In de namiddag kon ik mijn hond en mijn knuffelcontact overtuigen om terug te keren naar mijn dagdroom. Ik dacht echt dat ik het gedroomd had maar nam nu toch mijn smartphone mee voor het nodige en mogelijke bewijsmateriaal digitaal vast te leggen.

Mijn knuffelcontact dacht dat ik het had verzonnen, maar zijn lach versteende plots toen hij de cirkels ook zag in het gras.

Hij was een tuinier en natuurmens in hart en nieren en zijn stelling was duidelijk: “Dat lijkt mij op ‘heksenkringen’, een natuurlijk voorkomende cirkel van paddenstoelen, ontstaan uit de zwamvlok (mycelium) van één exemplaar.

Voordat in 1807 door Wollaston werd vastgesteld dat heksenkringen door schimmels werden veroorzaakt, waren er vele verschillende verklaringen in omloop. Ze zouden veroorzaakt worden door bovennatuurlijke wezens, heksen, mollen, parende slakken of bliksem. De heksenkring heeft een geheimzinnig karakter door zijn ronde vorm en vaak plotseling (in één nacht) verschijnen.”

Hiermee was voor ons de kous af en ik nam enkele foto’s. Nu voel ik het als mijn opdracht om elke dag het groeiproces te blijven volgen, tot ik al mijn antwoorden heb.

Maar er is nog altijd een tweede piste, dat de klokken van Rome daar echt geland zijn en die cirkels hebben achtergelaten door hun zware gewicht en de lading eieren. En hoe kwamen die eieren en chocolade paashazen anders bij mij thuis op de tafel?

De communicatie op Paaszondag zat goed fout.

Vroeger was het een traditie en zat iedereen op Paaszondag te kijken naar tv, tot de Paus in Rome aan zijn kerkelijke meertalige speech begon. Gevleugelde woorden kwamen vaak aan bod, zoals voor Nederland: “Bedankt voor die mooie tulpen”. Voor alle Nederlandstaligen op de wereldbol klonk het dan: “Vrolijk Paasfeest” en dan kon het zoeken naar de eieren beginnen tot alle kinderen vol hingen met chocolade en hier en daar een kapot geklutst ei op de grond lag.

Al twee jaar moeten wij het doen met een leeg Sint-Pietersplein en de Pauselijke zegen “urbi et orbi” klonk hol en ging een beetje verloren in de koele adem van wind en regen.

Maar ook de klokken van Rome hadden dit jaar te maken met een slechte communicatie. De Bisschoppen van ons land hadden afgesproken dat de klokken in de kerktorens over heel het land zouden luiden om 12:00 uur ’s middags. Nog goed dat ik het bericht daarvan hoorde tijdens het nieuws van 13:00 uur. Ik vind het luiden van de klokken nostalgie, die ons terug meeneemt naar vroegere tijden. Iedere mis op zon- en feestdagen werd met klokkengelui aangekondigd en dan wisten wij dat wij mooi opgekleed naar de mis moesten gaan. Die tijd is voorbij en nu hoor je nog sporadisch, als je goed oplet, nog klokken luiden bij een huwelijk of begrafenis. Veel kerken zijn gesloten en kregen een andere invulling en als de klokken dan toch luiden, gaat dat mooie luiden verloren in het geroezemoes van onze drukke rumoerige samenleving.

Deze morgen werd ik abrupt wakker geschud om 09:00 door het luiden van de klokken. Waarschijnlijk was het de lokroep voor de enkele gelovigen die wisten wanneer ze naar de Heilig mis konden gaan. Veel volk zal dat niet geweest zijn met de coronamaatregelen.

Nu ik toch wakker was, spurtte ik als een kind vol verwachtingen de trap af, naar beneden, om in de tuin op zoek te gaan naar de verstopte eieren. Maar dit jaar waren ze zo goed verborgen, dat ik er na een half uur zoeken geen kon vinden. Waren de klokken mijn voorraad vergeten? Ik wou het vragen aan de paashaas, maar die was ook nergens te bespeuren en had wellicht al lang het hazenpad gekozen. Dus droop ik af naar de koelkast waar nog een paar verse eieren lagen te wachten op verbruik, maar nu vertikte ik het ook om er maar één te gaan koken om op te eten.

Op mijn wandeling met de hond was het ook stil, geen geluid van jubelende vrolijke spelende kinderen op de zondagmorgen. Was het te koud om buiten te komen of hadden ze de paaseieren al geraapt? Het bleef overal stil op mijn wandeling en zelfs een zoektocht naar eieren op de hondenweide, leverde mij enkel enkele verse drollen op die de hondenbaasjes voor mijn bezoek bewust hadden laten liggen.

Gelukkig is het morgen Paasmaandag en zal de volgende levering van de paasklokken misschien aankomen. Ik zal er morgenvroeg in ieder geval als de kippen bij zijn.